17:56:06 uur

DSC_0509

Nietsvermoedend lees ik op mijn telefoon het volgende bericht: ‘Ik ben naar schiphol toe volgens mij is het vliegtuig van itamar neergeschoten boven Oekraine’

Zojuist fietste, nee, zweefde ik nog door de stad met de zomer in mijn bol en zin in het weekend. ‘Zeg, het is zo warm, heb je zin om morgen te gaan afkoelen in het Flevoparkbad met een frisse ochtendduik?’ sprak ik de voicemail van een vriendin onderweg nog in. De sms had ik als reactie van háár verwacht, niet dit.  Een snel getypt bericht met een achteloze toon, maar met een inhoud die inslaat als een bom.

Nooit eerder kelderde mijn stemming zo snel van torenhoog naar ijs- en ijskoud, en mijn gedachten zijn in de war.

Ik heb Itamar vanmorgen nog gezien. We hebben elkaar gedag gezegd, een knuffel gegeven. In zijn lichtblauwe t-shirt met drie horizontale witte strepen. Jonathan heeft hem weggebracht, dit kan toch niet anders dan een hele grote vergissing zijn?

Ik bel meteen met Jonathan. Mijn handen bibberen. ‘Wat is er aan de hand, waar ben je?’ vraag ik met groot ongeloof in mijn stem. ‘Er is een vliegtuig neergestort in Oekraïne. Ik denk dat Itamar erin zat. Ik ben bijna met de auto op Schiphol’, vertelt hij rustig, in shock zonder dat hij dat zelf doorheeft, ‘Ruth belde over het nieuws. Op Schiphol probeer ik meer informatie te krijgen.’.

Ik begin heen en weer te ijsberen in onze kleine woonkamer, vlieg meer en meer tegen de muren op, niet wetend wat ik met het nieuws aan moet. De emotie giert door mijn lijf, de adrenaline doet zijn werk.

‘Wat zal ik doen, zal ik naar je toekomen?’ vraag ik zonder een antwoord te verwachten, want het antwoord ken ik al. ‘Nee, nee, blijf maar thuis, wat moet je hier, ik haal je later wel op.’ antwoord Jonathan nog steeds immens rustig.

Ik weet inmiddels niet meer waar ik het zoeken moet, al lopend en ijsberend van uithoek naar uithoek in de woonkamer, en ik deel Jonathan mijn besluit mee dat ik de bus en de trein naar Schiphol zal nemen om zo snel mogelijk bij hem te zijn. Wat moet ik hier? In mijn eentje? Ik huil. Wat moet ik hier in godsnaam? Nee, naar Schiphol en zo snel mogelijk.

Nadat ik heb opgehangen draai ik in tranen en met bibberende hand het nummer van mijn ouders. Ik had ze vandaag eerder al gesproken, ze waren lekker van het zomerse weer aan het genieten op de fiets ergens in de Achterhoek. Mijn moeder antwoord vrolijk, ‘Hoi!’. Ik probeer haar te temperen, enigszins voorsorterend op wat er komen gaat: ‘Mam, er is iets vreselijks gebeurd. Er is een vliegtuig neergestort en we denken dat Itamar erin zat. Jonathan is op Schiphol, en ik ga er nu heen.’

Ik pak mijn jas, laat het eten dat ik even snel wilde opwarmen op het aanrecht staan, stuur mijn yogalerares nog snel een bericht dat ik straks niet kom en vlieg naar de bus. Die is net weg. De volgende komt pas over 10 minuten. Het worden er 16, en het zijn de langste minuten van mijn leven. Huilend achter mijn zonnebril en heen en weer lopend op de halte probeer ik Nadja te bereiken die eerder nog aan het overwerken was op haar werk bij Schiphol en me misschien kan brengen. Ze neemt niet op. Ik bel en ik bel haar. Spreek haar voicemail in. Mijn vader belt. Hij geeft aan dat Nadja onderweg is naar Nieuwegein, maar terugkomt als dat nodig is. Dat helpt me niet sneller naar Schiphol. Verdomme, anders had ik de auto van opa kunnen nemen, maar die staat sinds kort in Brabant! Als de bus eindelijk komt, luistert de chauffeur naar vrolijke salsa en rijdt hij op zijn dooie gemak. Hij heeft zin in de zomer, en wat let hem ook.

De vriendin wiens voicemail ik eerder insprak belt me al evenzo vrolijk terug, maar als ik hakkelend en stotend mijn verhaal in de bus doe over het nieuws dat ik net heb gehoord – ietwat gegeneerd, want waar hou je je verhaal privé in de bus? – hangt ze overdonderd op.  Het meisje dat schuin voor me zit en één van de weinige medepassagiers is, pinkt stiekem traan weg. De koffer voor haar kan niet verhullen dat ze ook op weg is naar Schiphol. Mijn verhaal grijpt haar aan, zonder dat ik weet wat ze ervan gehoord heeft. Het interesseert me ook eigenlijk niet meer.

Als de bus na een eindeloos trage rit op Centraal aankomt, ren ik voor mijn leven naar een trein. De internationale trein op perron 15 vertrekt als eerste. Het is er warm en vooral erg druk. Als mijn zusje eindelijk belt en ik huilend mijn verhaal doe, is er geen plek waar ik geen mensen lastig val met mijn grote verdriet. Het verhaal is te wreed om in het openbaar te doen, maar wat kan ik anders? Mijn ouders bellen nog een keer om de eerste crisistelefoonnummers door te geven. Bij gebrek aan papier schrijf ik ze op mijn handen en sms ze door aan Jonathan.

Wanneer de trein het perron op Schiphol bereikt, ren ik de roltrap op zoekend met de routebeschrijving van Jonathan op mijn telefoon in de hand. Ik kijk in paniek om me heen, maar kan mijn weg niet vinden. Een dame aan de infobalie wijst achter me en als ik me omdraai zie ik inderdaad een marechaussee een trap vrijhouden. Rillend, bibberend en bijna door mijn benen zakkend vraag ik aan hem waar ik het crisiscentrum kan vinden. Mijn lijf in alarmfase. Hij laat me snel door als hij ziet hoe mijn lichaam reageert op deze situatie en ik ren toch nog de trap op. Zo volgen er nog enkele marechaussees voordat ik uiteindelijk Jonathan vind en huilend in zijn armen val. Ook hij breekt en samen huilen we stil in de grote, nog lege ruimte grenzend aan het buitenterras van Schiphol. Om ons heen lopen mensen in felgekleurde hesjes, uniformen, keycords. Er worden haastig drankjes en broodjes opgetrommeld voor de groep mensen die steeds verder zal aangroeien. We zijn één van de eersten.

Comments are closed.